NAP (nonoverlap of all pairs)
NAP vergelijkt elke meting van de baseline (A) met elke meting van de interventiefase (B). Het telt in hoeveel van deze paren de B-waarde beter is dan de A-waarde; een gelijke waarde (tie) telt voor de helft. Het resultaat ligt tussen 0 en 1: 0,5 betekent geen verschil, 1 betekent dat elke B-waarde beter is dan elke A-waarde. Volgens Parker en Vannest (2009) is tot ,65 zwak, tot ,92 matig, vanaf ,93 sterk. NAP is de kans dat een willekeurig getrokken B-waarde beter is dan een willekeurig getrokken A-waarde (gelijk aan de AUC). Het betrouwbaarheidsinterval van Newcombe laat zien hoe onzeker de waarde is bij weinig metingen.
Voorbeeld: NAP = ,97, 95%-BI [,70; 1,00], p = ,003: in 97% van alle A-B-paren is de waarde in B beter.
Let op: NAP houdt geen rekening met een trend die al tijdens de baseline bestaat en bereikt 1 zodra elke B-waarde beter is - hoeveel beter, laat NAP niet zien. De p-waarde (Mann-Whitney) veronderstelt onafhankelijke metingen, die tijdreeksen vaak niet leveren. De indeling in zwak, matig en sterk is een vuistregel.