I² en Q (heterogeniteit)
Q toetst of de studies meer van elkaar verschillen dan toeval binnen de studies zou doen verwachten. I² geeft in procenten het deel van de totale variatie in effecten dat voortkomt uit echte verschillen tussen de studies in plaats van uit toeval. Vuistregel op basis van Higgins e.a. (2003), die 25, 50 en 75% als markeringen noemen: onder 25% laag, vanaf 25% matig, vanaf 50% aanzienlijk, vanaf 75% hoog.
Voorbeeld: I² = 95%, Q(8) = 123,7, p < ,001: bijna alle variatie komt door echte verschillen tussen de studies (verblijfsduur, Normand 1999).
Let op: Bij weinig studies is I² heel onnauwkeurig; daarom wordt het interval getoond. Een kleine Q bij weinig studies bewijst niet dat de studies gelijk zijn. I² is een aandeel, geen maat voor de grootte van de verschillen: bij zeer nauwkeurige studies wordt I² groot, ook als de effecten dicht bij elkaar liggen. Hoe ver de ware effecten uiteenlopen, tonen τ en het voorspellingsinterval.